This text will be replaced by the flash music player.
Ik Wacht
Donderdag 23 september 1999 (Deventer)
Een rijke weduwe wordt op brute wijze vermoord in haar eigen huis. Door de omzwervingen
van het OM, alvorens tot een veroordeling te komen van de nog altijd ontkennende
boekhouder, en door de inmenging van BN’er Maurice de Hond, haalde deze zaak
het landelijke nieuws en gaat de geschiedenis in als De Deventer Moordzaak. Was
het de boekhouder, de klusjesman of de grote onbekende? Wil de echte moordenaar
dan nu opstaan? De weduwe wacht.
Iedere dag kwam ze ’t graf nog bekijken
Thuis keek ze eindeloos naar zijn portret
Zij bleef hem trouw en zal nimmer meer wijken
sinds ze vermoord is en bij is gezet
Twee dagen na de moord werd ik gevonden
opgebaard bij het portretschilderij.
’t Laatste gesprek duurde zestien seconden
met de accountant, toen was het voorbij.
Ze wacht op berouw, dat iemand bekent
dat ie gestoken heeft, ribben gebroken heeft
kneep tot ze blauw zag dat laatste moment
Wie heeft de weduwe vijf keer gestoken?
Zij alleen weet het en weet ook allang
of het gerechtshof wel recht heeft gesproken.
Was het de boekhouder of klusjesman?
Ik wacht op berouw, dat iemand bekent
dat ie gemoord heeft, mijn smeken gehoord heeft
daar bij de schouw op het laatste moment.
Wil de echte moordenaar dan nu opstaan
Zeg maar gerust: ik ben slecht, inhumaan!
De kurk van de fles en kom met het mes
op tafel en roep dan: ik heb het gedaan!
Ik blijf beslist nog vele jaren
in je geest rondwaren, je zorgen baren
Ik lig in een kist, maar vrees toch mijn kracht.
Oh doe die bekentenis waarop ik wacht.
Ik wacht, ik wacht, ik wacht...
Wil de echte moordenaar dan nu opstaan
Zeg maar gerust: ik ben slecht, inhumaan!
De kurk van de fles en kom met het mes
op tafel en roep dan: ik heb het gedaan
Metselaar
Donderdag 12 augustus 2004 (Den Haag)
Onenigheid binnen de wereld van het vastgoed, zorgt voor de moord op twee mannen
die na een periode van vermissing worden teruggevonden. Ze zijn ingemetseld in
een muur.
Het huis waar het om begon
Factuur bleef open staan
Lauw vlees in hard beton
Het is te laat het is gedaan
Bloed stolt en cement verhard
Twee mannen spraken groot
Een rechte tegelwand
Gevoegd met levend rood
Klus geklaard met huid en haar
Voor altijd vermist
Wen eraan, honderd jaar
Twee levens gewist
Het bezoek duurde slechts een uur
Een man en zijn lotgenoot
Schilderij hangt aan de muur
Stilleven na de dood
In de neus van een herdershond
Treuzelt geur van brute moord
Breek de muur een open wond
En de daders opgespoord
Bloed stolt en cement verhard
Twee mannen spraken groot
Een rechte tegelwand
Gevoegd met levend rood
Opgebracht van huis en haard
In naam der wet
Wen eraan, voor veertien jaar
Tussen muren gezet
Slapeloze Nacht
Boek ‘Lied van Angst’, Almar Otten, oktober 2009 (Deventer)
Twee personages uiten hun angst om vermoord te worden aan rechercheur Ellen.
Het betreft de vrouw van een dubieus rijke nieuwkomer in Deventer en een ondergedoken
IRA strijder. Hun angst bleek gegrond.
Terug in mijn geboortestreek, op Overijssels land,
voel ik me een vreemdeling; we wonen nu op stand.
Het wordt nooit meer zoals weleer; de mensen in de buurt,
hun blikken zijn verstikkend en ik vrees het late uur.
In mijn zelfgebouwde cel, ver weg van eigen land,
Speelt m’n fluit een eenzaam spel; geluidsdicht is de wand.
Het wordt nooit meer zoals weleer; speel nooit meer in een band,
want dan is ’t wachten op die keer dat iemand mij herkent.
Ellen, oh Ellen, ik wil je wat vertellen.
Eerlijk duurt het aller langst; het moet mij van het hart, de angst
wint meer en meer aan kracht, elke slapeloze nacht.
Ze hebben het op ons gemunt; waar zijn ze op belust?
De ene na de and’re stunt; ze gunnen ons geen rust.
Kadavers op de oprijlaan en wat nog in ’t verschiet?
Liefst zie ik de tuinman gaan, ook hem vertrouw ik niet.
Al twintig jaar verstreken, maar ze zijn erop gebrand
om mijn verraad te wreken voor de eer van ’t vaderland.
Ik strijde aan hun zijde, maar ik werd “the enemy”
Ver van huis draag ik mijn kruis; my life’s an agony.
Ellen, oh Ellen, ik wil je wat vertellen.
Eerlijk duurt het aller langst; het moet mij van het hart, de angst
wint meer en meer aan kracht, elke slapeloze nacht.
Ik vrees voor mijn leven. Het verleden haalt me in.
Ik kan er niet meer tegen. Het verzwijgen heeft geen zin.
Wanneer slaan ze weer toe? Ik verkeek me op mijn kracht
Ik ben de angst zo moe in die slapeloze nacht.
Ellen, oh Ellen, ik wil je wat vertellen.
Eerlijk duurt het aller langst; het moet mij van het hart, de angst
wint meer en meer aan kracht.
Oh Ellen, los ‘t raadsel op; de angst blijft spoken in mijn kop,
ze houdt me in haar macht, elke slapeloze nacht.
Kleine Ko
Zondag 19 september 1954 (Deventer)
De lompenkoopvrouw Kleine Ko wordt verkracht en gewurgd als ze op
weg naar huis is. In dit lied deelt ze haar laatste waarnemingen en gedachten.
Het is nog warm in september, langs de IJssel op de fiets
Tegen achten is het donker, dat was gisteren nog niet
Ik denk aan mijn jongens, sla vliegjes uit mijn hals
ik heb een heel goed leven al is het soms wel hard
Ik voel een hand op mijn schouder en mijn hoofd raakt de grond
Het wiel van mijn fiets draait zorg’loos in het rond
Draai me om maar zie een vreemde, ademt sneller dan bloed
Ik schreeuw in een hand maar deze zondag blijft stil
Sleurt me mee naar een garage het water stroomt snel door
Scheurt kleren van mijn lijf zijn handen ruw over mij dij
Ik denk aan mijn meisjes, duw zijn pols van mijn hals
Laat me leven in godsnaam, heb genade
Ik lig naakt op de stenen, mijn lichaam nog warm
Dus dit is mijn dood zonder ziekte of versleten hart
Mijn kleren zijn nu lompen met vlekken donkerrood
Dus dit was mijn leven en nu ben ik dood
Ik zie mezelf nog door de straten in een bakfiets elke dag
“Heb ie-e nog wat lomp’n die ik deurverkoop’n mag”
De stad zal mij missen en je denkt misschien aan mij
Als mijn zoon aan de bel trekt, al het leven gaat voorbij