De Accordeonist
Donderdag 21 juni 2007 (Apeldoorn)
Gert Nijkamp, handelaar in- en bespeler van de accordeon, wordt in opdracht van het criminele circuit neergeschoten als hij zijn zoontje op school heeft afgezet. De dader, een scooter-rijder, wordt gepakt naar aanleiding van uitgezonden beveiligingsbeelden.
Mijn maag voelt zo hol als ik denk aan de schuld.
Het is pas bij achten - nog eventjes wachten.
Het schoolplein stroomt vol - nog even geduld
tot het tijd is voor de les.
De lucht dreigt met regen – bijna half negen.
Ik denk aan mijn loon - daar gaat de bel.
De laatste omhelzing, vluchtig en snel
Met zijn zoontje van zes.
De accordeonist, de accordeonist
Die naar ik hoor niet zo zuiver is
Ik doe als gezegd, hij moet omgelegd
Als ik ‘m maar niet mis
Hij lacht nog en praat, dus ik wacht nog heel even
Mijn scooter al aan, ik kom langs gescheurd.
En doe het, na negenen is het gebeurd,
Aan de Callunalaan.
De accordeonist, de accordeonist
Die door zijn vrouw en zijn kind wordt gemist
Ik deed als gezegd, heb hem omgelegd
Zijn lot met een schot beslist.
Had ik dat gedaan als ik wist,
dat ik oorzaak zou zijn van gehuil en tumult,
mijn schuld zou verruilen voor diepere schuld
dat alles zou worden verbruid?
Dat ze meermaals mijn hoofd op T.V. zouden tonen,
‘k van vrijheid beroofd voor de rechter zou komen,
voor moord? Het spel is uit.
De accordeonist, de accordeonist
Door menige musicus wordt hij gemist
Ik deed als gezegd, heb hem omgelegd,
ons beider geluk uitgewist.
Afscheidsbrief
Zaterdag 10 augustus 1991 (Deventer)
In haar woning is een vrouw met messteken om het leven gebracht door haar eigen man. Hij beging deze daad terwijl ze in scheiding lagen. Nadien pleegde hij zelfmoord en liet ook een brief achter. Wat erin stond is onbekend, maar het Rigor Mortis Ensemble doet een gooi naar de inhoud, gericht aan zijn zoon.
Je moeder was vroeger een heel ander wezen
Ze was toen gelukkig en hoorde bij ons
Van onmin en ontrouw had zij niet te vrezen
Maar toch ging het mis en kreeg ik de bons.
Je leest deze brief als ik nooit meer naar huis kom
Je moeder heeft al wat wij hadden verwoest.
Zoon, als je straks tegen elven weer thuiskomt
dan doet wat je ziet je veel pijn maar het moest.
Snap je nu jongen dat ik wilde scheiden
Ik hield me wel groot want je was nog zo klein
Je vader voorkwam da’k een leven zou leiden
waarin ik volkomen gelukkig zou zijn.
We zouden vandaag met je moeder gaan praten
Ik ging vast vooruit, nog wat klussen te doen.
Ik kon het niet aan dat ze mij heeft verlaten
en heb het gedaan voor ons beider fatsoen.
Ik sloeg haar al weken met achterdocht gade
en voelde me leeg zonder vrouw aan mijn zij.
Ik heb haar gered uit de klauw van het kwade
ze zou gaan ontsporen geheel zonder mij
Je leest deze brief als ik nooit meer naar huis kom
Het spijt me voor jou, maar ik heb haar vermoord
Straks als jij oud bent en eindelijk thuiskomt
dan wacht ik daar samen met haar, zoals ‘t hoort.
Snap je nu jongen dat ik wilde scheiden
Ik hield me wel groot want je was nog zo klein
Je vader heeft nu in de hel veel te lijden
Ik zal jouw beschermengel zijn.
Beste vriendin
Maandag 17 november 2003 (Nijmegen/Bemmel)
Een jonge vrouw stapt op verzoek van haar beste vriendin bij een stel vrienden in de auto. Ze wordt gewurgd en haar lichaam wordt verbrand teruggevonden in de polder. Ze namen haar leven zonder berouw.
Ze lag daar alleen in de hoek langs het pad
Het grindgat verlaten in een herfstige nacht
Haar lichaam verkoold, ziel afgebrand
Een masker van as vermengd met nat zand
Boven de dijk een donkere wolk
Van rook die het dorp de adem verstokt
Gras geschroeid, rouw geplant
Voor altijd een graf in het geduldige land
De chatbox verlaten het beeldscherm op zwart
De auto reed voor, zoals altijd te hard
Ze stapte voorin zonder bezwaar
De jongens waren als familie voor haar
Ze deelde een lach ze was haar beste vriendin
Het laatste ze zag leek geknipt uit een film
Vanachter de stoel eerst een hand dan met touw
Namen ze haar leven zonder berouw
Eigen God
Woensdag 30 januari 1991 (Ganzedijk)
Schrijver, oud-legionair en alcoholist Richard Klinkhamer heeft genoeg van het gezeur van zijn vrouw. Hij slaat haar hersens in en begraaft haar in de tuin van hun Groningse huisje.
Later schrijft hij er een boek over; "Woensdag gehaktdag".
In dit lied stellen we ons de nieuwe bewoners voor die, blij met hun nieuwe huis in Ganzedijk, enthousiast aan het klussen slaan. Ook de tuin wordt onder handen genomen...
Klinkklinkhamer was een slager
Zijn vrouw te bazig, een toontje lager
Molen fijnmazig, het dorp sprak over gehakt
Maar toen ze beenderen zagen
Werd klinkklinkhamer nogmaals opgepakt
Klinkklinkhamer 10 jaar in de bak
Op de kaart onder Hongerige Wolf
Een pijltje gegooid met ogen gesloten
Lichtgroen, een polder, aantrekkelijk leeg
Warm onder de oksel van een zeearm
Op de kaart ten westen van Kostverloren
Lag een lijk negen lange jaren bedolven
Te diep voor wormen te veel voor maden
Verteerd door bacillen uit eigen organen
Nieuwe bewoners met grondige plannen
Zelfs de vraagprijs was opvallend laag
Er is nog geld over voor een prieel of gazon
Offerte aangenomen de mannen werken in aarde
Ze denken aan wortels zo diep in de grond
Of aan oude stenen al klinkt het daarvoor te rot
Maar dan scheppen ze een schedel naar boven
Even de makelaar bellen
De oude bewoners een excentriek tweetal
Ze kwamen van ver en wilden eigenlijk niet aardden
De man een harde legionair, een schrijver, een alcoholist
Soms reed hij naakt op de fiets door het dorp
Op een winterse woensdag men hoorde het schreeuwen
De vrouw verdween voor altijd uit zicht
Hij lachte en zweeg bij het verhoor en stond zomaar op straat
Niemand kraakte zijn keiharde bast
Finale
Zondag 15 mei 1995 (Deventer)
Het was tijdens het kampioensfeest van de voetbalclub IJsselstreek, dat een ongenode gast de feestvreugde verstoorde met schoten. In het doel stond “onze Henne”. Hij speelt nu uit en nooit meer thuis.
Het was zondag vijftien mei: de finale op de noppen
Menigeen was er toen bij om ons elftal te zien schoppen
Het was voor de ploeg hard werken; het was oorlog in het klein.
Ja, de vijand was een sterke en wij zongen aan de lijn:
Hulde aan de IJsselstreek: ijzersterk in’ t veld aan ’t werk.
Hulde aan de IJsselstreek: ijzersterk weer deze week.
Ook al zingen wij dan vals, IJsselstreek speelt met fatsoen
en we schoppen het vanzelf met die elf tot kampioen.
En ze werden onze helden, nu al dertien jaar gelee’.
Dus de drank kwam in het spel en alle leden deden mee.
Van het zingen langs de lijn, hadden wij enorme dorst.
Na het bier en na de wijn ging het weer uit volle borst:
Hulde aan de IJsselstreek: ijzersterk in’ t veld aan ’t werk.
Hulde aan de IJsselstreek: ijzersterk weer deze week.
Ook al zingen wij dan vals, IJsselstreek speelt met fatsoen
en we schoppen het vanzelf met die elf tot kampioen.
Het was druk op vijftien mei op het feest in de kantine.
Wedstrijd was allang voorbij, toen er toch nog schoten vielen.
Schutter was een oud bekende, die de toegang was ontzegd.
In het doel stond onze Henne die door hem werd omgelegd.
Op die zwarte dag in mei, toen de kogels hem doorzeefden
stond de hele club hem bij in zijn strijd te blijven leven.
Wie weet zou hij het nog halen in ’t Geertruiden Ziekenhuis
Toch verloor hij de finale, speelt nu uit en nooit meer thuis.
Jackpot
Zondag 6 maart 1994 (Deventer)
In een flatje is een vrouw in de slaapkamer doodgestoken door haar eigen man. De buren, die juist de lottotrekking volgden op televisie, belden de politie wegens de hoorbaar uit de hand lopende ruzie. Ze kwamen te laat. De man van het slachtoffer dacht dat zijn vrouw vreemdging, maar na onderzoek bleek dit een typisch geval van “Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten”.
Zondagavond tegen half elf
De balletjes rollen, het rad draait vanzelf
De jackpot is hoog en het risico klein
Wie zal vandaag de gelukkige zijn
Op de bank zit het stel onbewogen
Er wordt gezwegen en dan toch gepraat
Hij weet het zeker: je hebt me bedrogen
Geïrriteerd zegt ze: is ’t weer zo laat
Op de bank is de stemming veranderd
Geen gesprek, nee er wordt al geschreeuwd
Hij weet het zeker: jij hebt een ander
Zij roept wanhopig dat hij ’t zich verbeeld
Hij staat op, een waas voor zijn ogen
Zijn gebries reikt tot in het portiek
Hij weet het zeker: jij hebt gelogen
en zijn taal wordt gevaarlijk fysiek
Ze wurmt zich los en ontvlucht zo zijn handen
Hij grijpt een mes met een grondige vloek
achtervolgt haar langs deuren en wanden
Zet haar klem in de slaapkamerhoek.
De jackpot is gevallen, ergens in het land
De jackpot is gevallen, Het staat al in de krant
De jackpot is gevallen, We zijn weer uitgeloot
Zomaar zes getallen, De bonuskleur is rood
Getekend voor het leven
Zaterdag 28 april 2007, Loksbergen (Belgie)
Geschreven voor het optreden tijdens de uitreiking van de Hercule Poirotprijs in Brugge.
Joviale buurman blijkt seriemoordenaar. Zijn keuze in dit lied is gevallen op een jong meisje. Hij bespiedt haar in de katholieke meisjes disco en volgt haar tot ze 's nachts alleen op een stil weggetje naar huis fietst.
In Nederland is de moordenaar bekend als "de tekenleraar", in België vreemd genoeg niet, daar heet hij gewoon Ronald.
Uitgenodigd ben ik niet
In Schaffen is de fuif voor iedereen
Zingen uit de katholieke liturgie
Mijn goesting gaat door merg en been
Niemand komt op aard alleen
Maar gaat heen in eenzaamheid
De discobol draait, groengele lichten
De dansvloer is vol, in de hoek een meneer
Kijkt geamuseerd naar de jonge gezichten
Ik mis je zo zingt Udo keer op keer
Schuifelen onder Jezus aan het kruis
Aller het is vier uur, we gaan naar huis
Aimabel, sociaal, charmant, joviaal
Profiel is geschetst voor het leven
getekend
Rustig rijdt de Camionette
Ik volg vuurvliegjes in de nacht
Wie gaat voor in het schietgebed
Dit is het moment waarop ik wacht
Op een kruispunt draait ze af
Ze is alleen, ze is van mij
Met mijn vriendinnen ga ik naar buiten
Fiets van het slot, de lichten aan
Het leven van de fuif dooft langzaam uit
Terwijl we het duistere bos ingaan
Vanaf de kruising rij ik verder
Met enkel de Heer als mijn herder
Aimabel, sociaal, charmant, joviaal
Profiel is geschetst, voor het leven getekend
Hoe velen gekwetst steeds opnieuw weer berekend
De leraar, de buurman, de schout bij nacht
Blijkt een wolf in schapenvacht
Hemelvaartsdag
Donderdag 28 mei 1987 (Deventer)
Bij de Douwelerkolk wordt een plastic zak met babylijkje gevonden door spelende kinderen.
Het is een volmaakte en hemelse dag
Hemelvaartsdag aan de Douwelerkolk
De dauw al vervlucht en het zonnetje lacht
Geen vuil aan de lucht, nee geen enkele wolk
weerspiegelt zich in de kolk
En in het gras, het malsgroene gras
Spelen wij met stokken en ballen
We vallen, we lachen en zijn er voldaan
Omdat het niet mag in het water gaan staan
Het is een volmaakte en hemelse dag
Hemelvaartsdag aan de Douwelerkolk
De dauw al vervlucht en het zonnetje lacht
Geen vuil aan de lucht, nee geen enkele wolk
weerspiegelt zich in de kolk
En in de kolk, de Douwelerkolk
Spelen wij met steentjes en stokken
We lokken de eendjes eerst liefjes nabij
Maar keren het tij en ze vlieden geschrokken
Het is een volmaakte en hemelse dag
Hemelvaartsdag aan de Douwelerkolk
De douw al vervlucht en het zonnetje lacht
Geen vuil aan de lucht, nee geen enkele wolk
maar een vuilniszak in de kolk
En in die zak, die plastieken zak
Kijken wij met ogen die rollen
We tollen, we snakken naar adem en lucht
We vluchten naar huis en we spugen van ’t hollen
Want in die zak, gescheurd door de wind
Bij de kolk, de Douwelerkolk,
Een levenloos wezen, dat stakkerig klein
Een wolk van een kind had kunnen zijn
Ik Wacht
Donderdag 23 september 1999 (Deventer)
Een rijke weduwe wordt op brute wijze vermoord in haar eigen huis. Door de omzwervingen
van het OM, alvorens tot een veroordeling te komen van de nog altijd ontkennende
boekhouder, en door de inmenging van BN’er Maurice de Hond, haalde deze zaak
het landelijke nieuws en gaat de geschiedenis in als De Deventer Moordzaak. Was
het de boekhouder, de klusjesman of de grote onbekende? Wil de echte moordenaar
dan nu opstaan? De weduwe wacht.
Iedere dag kwam ze ’t graf nog bekijken
Thuis keek ze eindeloos naar zijn portret
Zij bleef hem trouw en zal nimmer meer wijken
sinds ze vermoord is en bij is gezet
Twee dagen na de moord werd ik gevonden
opgebaard bij het portretschilderij.
’t Laatste gesprek duurde zestien seconden
met de accountant, toen was het voorbij.
Ze wacht op berouw, dat iemand bekent
dat ie gestoken heeft, ribben gebroken heeft
kneep tot ze blauw zag dat laatste moment
Wie heeft de weduwe vijf keer gestoken?
Zij alleen weet het en weet ook allang
of het gerechtshof wel recht heeft gesproken.
Was het de boekhouder of klusjesman?
Ik wacht op berouw, dat iemand bekent
dat ie gemoord heeft, mijn smeken gehoord heeft
daar bij de schouw op het laatste moment.
Wil de echte moordenaar dan nu opstaan
Zeg maar gerust: ik ben slecht, inhumaan!
De kurk van de fles en kom met het mes
op tafel en roep dan: ik heb het gedaan!
Ik blijf beslist nog vele jaren
in je geest rondwaren, je zorgen baren
Ik lig in een kist, maar vrees toch mijn kracht.
Oh doe die bekentenis waarop ik wacht.
Ik wacht, ik wacht, ik wacht...
Wil de echte moordenaar dan nu opstaan
Zeg maar gerust: ik ben slecht, inhumaan!
De kurk van de fles en kom met het mes
op tafel en roep dan: ik heb het gedaan
De Held
Zaterdag 31 maart 1985 (Deventer)
Een man komt in een slechte trip na gebruik van LSD. In zijn waanzin vermoord hij zijn hond en zijn vriendin. Daarna rent hij met het idee dat alles in lichterlaaie staat de stad uit, ontkleed zich, zwemt in de IJssel en verslaat een eind stroomafwaarts een denkbeeldige draak in een laboratorium.
Daar, vanuit de hoek, in de donkere nacht,
krijgt de kamer bezoek van een monster, maar wacht...
De held grijpt zijn mes en hij steekt er het beest
vol angst en agressie; het er is geweest.
Een gillende heks zeilt er dan op hem neer
Opnieuw zorgt zijn mes voor succesvol geweer.
Een jongensfilm vol avonturen
die een uur of twee zal duren
Een beetje spanning, een beetje bloed
maar aan het eind komt alles weer goed
Voorbij aan de haven, de weilanden door
Zie hem daar draven, hij blijft de dood voor,
het huizenhoog vuur dat de stad snel verslindt,
haar temperatuur en haar licht dat verblindt,
haar stormend geluid en haar rollende tong.
Snel kleedt hij zich uit en hij waagt de sprong
Hij zwemt en hij vecht in de woeste rivier
gaat bijna ten onder, maar haalt net de pier.
Rillend en bevend kruipt hij in een grot
maar daar leeft een draak die zich op hem stort
Met blikkerend zwaard en in smetloze jas
slaat de held het veelkoppige dier in de as.
Een jongensfilm vol avonturen
die een uur of twee zal duren
Een beetje spanning, een beetje bloed
maar aan het eind komt alles weer goed.
Ongeloofwaardige spelers in blauw
Drijven de ridder alras in het nauw
De held wordt verwijderd, verjaagd van de set,
wordt zonder pardon buiten spel gezet
De film lijkt ten einde en loopt niet goed af.
De held blijkt de bad guy en allen staan paf.
Nog meer figuranten, ze gaan naar ’t adres
waar iemand zijn hond heeft gedood met een mes.
De vrouw die er woont ligt vermoord bij de trap.
Ze volgen het spoor langs het water naar ‘t lab
waar wanorde heerst en waar niks het meer doet
De zon schijnt vergeeld na haar vurige gloed.
Een saaie film met de held tussen muren
die heel wat jaren zal gaan duren.
Toch blijft de spanning, versnelt weer het bloed
in het hart van de stad als ik zing van zijn moed.
Kleine Ko
Zondag 19 september 1954 (Deventer)
De lompenkoopvrouw Kleine Ko wordt verkracht en gewurgd als ze op
weg naar huis is. In dit lied deelt ze haar laatste waarnemingen en gedachten.
Het is nog warm in september, langs de IJssel op de fiets
Tegen achten is het donker, dat was gisteren nog niet
Ik denk aan mijn jongens, sla vliegjes uit mijn hals
ik heb een heel goed leven al is het soms wel hard
Ik voel een hand op mijn schouder en mijn hoofd raakt de grond
Het wiel van mijn fiets draait zorg’loos in het rond
Draai me om maar zie een vreemde, ademt sneller dan bloed
Ik schreeuw in een hand maar deze zondag blijft stil
Sleurt me mee naar een garage het water stroomt snel door
Scheurt kleren van mijn lijf zijn handen ruw over mij dij
Ik denk aan mijn meisjes, duw zijn pols van mijn hals
Laat me leven in godsnaam, heb genade
Ik lig naakt op de stenen, mijn lichaam nog warm
Dus dit is mijn dood zonder ziekte of versleten hart
Mijn kleren zijn nu lompen met vlekken donkerrood
Dus dit was mijn leven en nu ben ik dood
Ik zie mezelf nog door de straten in een bakfiets elke dag
“Heb ie-e nog wat lomp’n die ik deurverkoop’n mag”
De stad zal mij missen en je denkt misschien aan mij
Als mijn zoon aan de bel trekt, al het leven gaat voorbij
Tweeluik: Kerstmis zonder Dogan - De Martelaar
Donderdag 24 december 1986 (Deventer)
Op kerstavond vindt een dubbele roofmoord plaats in de Bondsspaarbank. “De Martelaar” vertelt het verhaal vanuit de moordenaar zelf, die door zijn gokverslaving in geldnood zit en geen andere uitweg meer ziet dan het plegen van de overval. “Kerstmis zonder Dogan” vertelt het verhaal van de vriendin van de moordenaar, die in een patatzaak werkt waar hij vaak aan de speelautomaat zit.
De Martelaar
Als het regent is het zondvloed stuur een duif naar het vaste land
Het is mij gegeven
Met een voetbal ben ik Diego, in de liefde Italiaan
Ik ben uitverkoren, heilig verklaard
Hier binnen schuilt de duivel, wenkt met dansend licht
Door een gleuf voer ik hem stuivers
Een peer een zeven, drie kersen ik snap zijn boodschap niet
Hij is onverzadigbaar, net als ik
Straks is alles donker
ik wacht hier kalm, achter deze boom
De bank gaat bijna sluiten
vanaf dan zal alles anders zijn
Wanneer mijn kansen keren en geluk mij zoet toelacht
Neem ik je mee naar Ararat
Maar eerst moet ik zijn honger stillen zijn buik knort in mijn hoofd
Ik haal je op mijn lieveling dan gaan we dadelijk nog
Vaarwel gewone sterveling, Gods kinderen moeten gaan
Ik ben hier voor een hoger doel
Vanavond is het Kerstmis het zal je laatste zijn
Je zult er niets van merken, een martelaar kent geen pijn
Hier is alles donker
mijn lieve god, ik heb het gedaan
De deur staat nog open
vanaf nu zal alles rustig zijn
Kerstmis zonder Dogan
Als hij mij kust en zachtjes streelt ben ik in de wolken
Gouden bergen zo hoog als Ararat
Hier in de zaak, de gokkast lonkt, munten rollen
Als hij niet wint kauwt hij woest op zijn patat
Zijn ogen rijken dieper dan mijn koude laagland
Maar ik weet nooit wat er in zijn wereld speelt
In zijn mooie lach zie ik demonen dansen
Oh ik hoop dat ik het me verbeeld
Kerstmis zonder Dogan wohoewohoewo
Kerstmis zonder Dogan wohoewohoewo
Er staan twee mannen voor de deur ze kijken bars
of ik hem de laatste tijd nog zag
Ik weet niets van de man die ik liefheb
Maar het verklaart zijn vluchtige gedrag
Kerstmis zonder Dogan wohoewohoewo
In godsnaam wat heb je gedaan
Kerstmis zonder Dogan wohoewohoewo
Maar zeg me nou hoe ik van je houden moet
Ik zit alleen op de bank en brand een kaars
Voor de man en vrouw die hij heeft geslacht
De nieuwslezer noemt zijn daad barbaars
Op hem heb ik al die tijd gewacht
Laat me gaan
Dinsdag 12 december 1972 (Deventer)
Een kroegbaas met geldproblemen begeeft zich in verkeerde kringen en verdwijnt. Twee weken later wordt een stoffelijk overschot gevonden in de put van zijn eigen pand. Nog altijd is De Deventer Putmoord niet opgelost, maar het kroegleven gaat door en boven de put is nu een dansvloer.
Ik vond mijn rust in een waterput
om precies te zijn vier meter diep
twee weken zalig in sluimerstand
ik dacht dat ik voor eeuwig sliep
laat me maar gaan, hier is het goed
naast de morsige keien het is al te
laat me gaan, het eind is geen doel
toen opende het luik met een schelle kraak
mijn lichaam naar boven gehaald
behalve een kies in mijn onderkaak
lijk ik niet helemaal niet op mij
laat me maar gaan, hier is het goed
naar de eeuwige kroeg het is al te
laat me gaan, ik ken geen tijd
zonder morgen geen zorgen, mijn hemel op aard
een rij op de trap het is vrijdag
kwart voor drie, iedereen sluit aan
de kelder is smal, het plafond een boog
de klok is hier stil blijven staan
laten ze maar gaan, hier is het goed
alle dorstige de kelen het is al
raak ‘m niet kwijt, streep aan die kaart
zonder morgen geen zorgen, mijn hemel op aard
Ik vond mijn rust in een waterput
de stilte door merg en been
eeuwige klant van mijn eigen pub
een koude wind glijdt langs je heen
laat me maar gaan, laat me gaan
Laatste Sacrament
Donderdag 18 maart 2004 (Hoorn)
Martin Hoogland (alias de Rechercheur) is een ex-politieman die als huurmoordenaar betrokken raakt bij de Maffia. Als hij zijn straf voor de moord op drugsbaron Klaas Bruinsma (alias de Dominee) bijna heeft uitgezeten, wordt hij zelf neergeschoten.
Het is tijd voor het laatste sacrament.
Mijn straf zit er bijna op.
Ik zweeg als het graf, ik heb nooit bekend,
Maar vrees alsnog voor de strop.
Dominee, ik was toegewijd.
Heb nimmer mijn taak verzuimd
Als rechercheur en na die tijd.
heb ik het criminele puin geruimd.
Moord is een zaak van normen en waarden;
als het m’n taak is, zal k ‘m begaan.
Ben je een vent, dan moet je ‘t aanvaarden:
eenmaal gepland, dan ga je eraan!
Dominee, jij verziekte het spel.
Jij trad de regels met voeten.
Het spreekt vanzelf dat jij daarvoor moest boeten.
Dominee, see you in hell!
Omdat ik dat ik dat met jou heb gedaan.
Twintig jaar de bak in gegaan.
Een maand of twee, dan is het voorbij, ben ik vogelvrij.
Het is tijd voor het laatste sacrament.
Wie moordt wordt omgebracht.
Ik heb geen spijt, draagt mijn lot als een vent.
Wie leeft met het zwaard, wordt er zelf door geslacht.
Moord is een zaak van normen en waarden;
als het je taak is, moet je ‘m begaan.
Ik ben een vent en zal het aanvaarden:
eenmaal gepland, dan ga ik er aan!
Metselaar
Donderdag 12 augustus 2004 (Den Haag)
Onenigheid binnen de wereld van het vastgoed, zorgt voor de moord op twee mannen
die na een periode van vermissing worden teruggevonden. Ze zijn ingemetseld in
een muur.
Het huis waar het om begon
Factuur bleef open staan
Lauw vlees in hard beton
Het is te laat het is gedaan
Bloed stolt en cement verhard
Twee mannen spraken groot
Een rechte tegelwand
Gevoegd met levend rood
Klus geklaard met huid en haar
Voor altijd vermist
Wen eraan, honderd jaar
Twee levens gewist
Het bezoek duurde slechts een uur
Een man en zijn lotgenoot
Schilderij hangt aan de muur
Stilleven na de dood
In de neus van een herdershond
Treuzelt geur van brute moord
Breek de muur een open wond
En de daders opgespoord
Bloed stolt en cement verhard
Twee mannen spraken groot
Een rechte tegelwand
Gevoegd met levend rood
Opgebracht van huis en haard
In naam der wet
Wen eraan, voor veertien jaar
Tussen muren gezet
Slapeloze Nacht
Geschreven voor het boek ‘Lied van Angst’, Almar Otten, oktober 2009 (Deventer)
Twee personages uiten hun angst om vermoord te worden aan rechercheur Ellen.
Het betreft de vrouw van een dubieus rijke nieuwkomer in Deventer en een ondergedoken
IRA strijder. Hun angst bleek gegrond.
Terug in mijn geboortestreek, op Overijssels land,
voel ik me een vreemdeling; we wonen nu op stand.
Het wordt nooit meer zoals weleer; de mensen in de buurt,
hun blikken zijn verstikkend en ik vrees het late uur.
In mijn zelfgebouwde cel, ver weg van eigen land,
Speelt m’n fluit een eenzaam spel; geluidsdicht is de wand.
Het wordt nooit meer zoals weleer; speel nooit meer in een band,
want dan is ’t wachten op die keer dat iemand mij herkent.
Ellen, oh Ellen, ik wil je wat vertellen.
Eerlijk duurt het aller langst; het moet mij van het hart, de angst
wint meer en meer aan kracht, elke slapeloze nacht.
Ze hebben het op ons gemunt; waar zijn ze op belust?
De ene na de and’re stunt; ze gunnen ons geen rust.
Kadavers op de oprijlaan en wat nog in ’t verschiet?
Liefst zie ik de tuinman gaan, ook hem vertrouw ik niet.
Al twintig jaar verstreken, maar ze zijn erop gebrand
om mijn verraad te wreken voor de eer van ’t vaderland.
Ik strijde aan hun zijde, maar ik werd “the enemy”
Ver van huis draag ik mijn kruis; my life’s an agony.
Ellen, oh Ellen, ik wil je wat vertellen.
Eerlijk duurt het aller langst; het moet mij van het hart, de angst
wint meer en meer aan kracht, elke slapeloze nacht.
Ik vrees voor mijn leven. Het verleden haalt me in.
Ik kan er niet meer tegen. Het verzwijgen heeft geen zin.
Wanneer slaan ze weer toe? Ik verkeek me op mijn kracht
Ik ben de angst zo moe in die slapeloze nacht.
Ellen, oh Ellen, ik wil je wat vertellen.
Eerlijk duurt het aller langst; het moet mij van het hart, de angst
wint meer en meer aan kracht.
Oh Ellen, los ‘t raadsel op; de angst blijft spoken in mijn kop,
ze houdt me in haar macht, elke slapeloze nacht.
Twee Strijders
Geschreven voor het boek ‘Lied van Angst’, Almar Otten, oktober 2009 (Deventer)
Twee moeders overdenken onafhankelijk de woelige levens van hun zonen. De mannen, een ex-IRA strijder en een voetbal hooligan, zien ze pas terug als het te laat is. Dat een eerdere ontmoeting tussen de strijders voor de hooligan fataal afliep weten de moeders niet.
Haar zoon herkent ze aan de brand
Op het nieuws was een bomaanslag
Bivakmuts en camouflagejas
Ze wist dat hij een strijder was
Maar wist ze ook dat hij Judas was
Maakt moederliefde alles pas
Toen ze hoorde dat hij thuis kwam
Wist ze dat ze hem verloren had
Tatoeage van een adelaar
Haar zoon herkent ze aan zijn arm
In de krant een foto van de slag
Ze wist dat hij een strijder was
Maar ze wist ook dat hij schaduw was
En dat het zonlicht van de duivel kwam
Toen ze hoorde dat er iemand lag
Wist ze dat ze hem verloren had
Twee soldaten botsen in de nacht
Zonder twist geleid door hanengedrag
Kerstmis in een oude Hanzestad
Er is geen gulden middenweg
Een moeder staat bij het graf
Deze dag had ze ooit verwacht
Ze huilt en spuugt op de vlag
Misschien dat het nu vrede wordt
De Tenenzuigers
In opdracht voor het Festival De Oversteek geschreven lied over twee lijken die in de IJzertijd met hoofd en voeten naast elkaar in een graf zijn gelegd. De zogenaamde Tenenzuigers van Lent.
Men wilde een moordlied maar nergens blijkt dat het innige stel vermoord is, het gat in de schedel is door een iets te rigoureuze actie met de schep van een archeoloog veroorzaakt. Natuurlijk verzinnen we dan zelf wel een moord. Het alibi van de Vent van Lent, wiens lijk verderop is gevonden, blijkt niet helemaal waterdicht. Ook al is ie honderd jaar later geboren.
Er werd aan de Steltsestraat gebouwd.
Ineens het werk gestaakt, asjemenou!
Dat is straf; een dubbelgraf, een tenenzuigend paar!
Al snel in kaart, zo goed bewaard, maar hoe wordt ‘t verklaard?
Alles begon er met die vent,
Heden bekend als “Vent van Lent”.
Wil je weten wat hij deed, die bronsgeringde man?
Er is een band met veel talent, die dat bezingen kan.
Hij kwam uit het Oosten, zocht een wijf
Brons zat in zijn haar en aan zijn lijf.
Hier in Lent al snel bekend als ‘oh zo’n knappe man’.
Met succes, een minnares, een echte Don Juan.
Ook deze vent van zijn tijd
Raakte op den duur de trend wat kwijt.
Hij kreeg de bons met al z’n brons (vergane glorie)
Zijn hart bezeerd, werd hij verteerd door haat en jaloezie.
ijzer in zijn haar en aan zijn lijf.
Een nieuwe immigrant; hij zocht een wijf. (o-oh)
Een minnares verkregen, maar ‘t kwam hem duur te staan
Vermoord als zes en negen, met het vlees de lust vergaan.
Dat was het werk van onze vent,
Oh wat een vlerk die “Vent van Lent”.
‘t ijzer heet, dus snel gesmeed tot een moordlustig plan
met goeie zin groef hij ze in en zei: ‘dat komt ervan!’
Ai-ai-ai-ai!
Alles begon dus met die vent,
Heden bekend als “Vent van Lent”.
Nu je hoort wat hem bewoog, die bronsgetooide man,
Zeg het voort! Archeoloog, je wist er mooi niks van!
Valse kater
Zaterdag 5 februari 1977 (Deventer)
Een gemoedelijk samenzijn van twee vrienden ontaard in een gevecht van leven op dood met beugelflessen. Eén van hen deelt de fatale klap uit en lijdt sindsdien aan een chronische kater.
Zaterdagavond, de week zit er weer op.
Het is gelukkig weer voorbij, de werkweek in de slachterij
We denken niet aan later en drinken 't gouden water
met de kater in de dop.
Twintig flesjes samen in een krat
Tien flesjes samen in een krat
Acht flesjes samen in een krat
Zes flesjes samen in een krat
Vier flesjes samen in een krat
Twee flesjes samen in een krat
Zaterdagavond, het leven zit erop.
het is gelukkig weer voorbij, de slachting na de razernij.
Opeens is er geen later, behalve voor de kater,
die steekt, die steekt, die steekt, die steekt,
die steekt de kop weer op.
Voor niets
Augustus 2001(Rotterdam)
Het verhaal van het meisje van Nulde is zo gruwelijk, dat je niet óver haar, maar vóór haar wilt zingen:‘nu je slaapt is alles zacht, veilig in de armen van de wind…’
Als je slaapt wordt alles stil
Iedereen weg uit de wereld die
die je nooit begrijpen zult
ook al heb je bestaan
Als je gaat is alles wit
Je hoeft niet bang te zijn voor de mensen die
zonder reden nemen
zomaar slaan
Wonderwens
Geboren in een koude moederschoot
Meestal scheelt het niets
Soms verschil van dag en nacht
Nu je slaapt is alles zacht
Veilig in de armen van de wind, de zon
warm je handen
aan de eeuwigheid
Nu je weg bent is er niets
Oneindig is het Zomerland
een leven is een zucht
in vergetelheid
Een vreemde
Dinsdag 23 augustus 1988 (Deventer)
Twee mannen nemen op hetzelfde moment afscheid van hun moeder en gaan op weg. In het plantsoen komt één van hen op brute wijze aan zijn einde als hij een junk aanspreekt. De ander ziet hem liggen en schrijft dit lied.
Ik kus mijn moeder als ze bij de deur staat
Fijne ovenschotel maar ik ga, jahaa
Van de Platvoet naar de Nieuwstraat ruim een kwartier
Deze route heb ik eindeloos gefietst
Hij kust zijn moeder want hij gaat nog op pad
Het huis heeft nog altijd de geur van vaders jas
Hij woont al jaren in het Noorden maar het is soms fijn
Een vreemde in je eigen stad te zijn
Langs de Kleine Kolk daar staat mijn oude school
Verlaten in de avond
Verloren op het grote plein maar soms is het fijn
Een vreemde uit mijn eigen jeugd te zijn
In het park een man met zilverpapier
Hij vraagt waarom en of dat nodig is hier
Hij ziet een hand naar zijn borst en het licht gaat zachtjes uit
Hij is bang als hij zijn ogen sluit
Over de Zwolseweg het Noorderbergplein
Onder de tunnel door daarboven rijdt een trein
Er ligt een man op de grond en mijn hart gaat tekeer
Zijn lichaam in stil, hij ademt nauwelijks meer
In het ziekenhuis wordt alles klaar gemaakt
Maar dat hoeft niet meer want zijn hart is geraakt
Soms begint de dag zo vrij maar het onheil zo dichtbij
Ik ben bang als ik mijn ogen sluit
Soms een dag zo vrij maar het onheil zo dichtbij
Ik ben bang als ik mijn ogen sluit